donderdag 23 december 2010

RONDDOLEN

Maandagavond. Na een warme treinrit kom ik in het koude station Brussel-Centraal.
Ondertussen is het routine geworden. De gele wandelgangen vol mensen in kostuum die allemaal gezellig huiswaarts keren met hun aktetas onder de arm. Veelal eerst zuchtend wanneer ze de vertrekuren bekijken. Naast sommigen staat ‘vertrek te bepalen’. Ik glimlach.
De mensen stappen even later druk sms’end en krantlezend de trein op. Hier en daar wat verfijnd geronk: het was een harde werk- of studeerdag. Maar nu gaan ze naar hun huis, naar hun thuis, naar hun avondeten, naar hun vrienden, naar henzelf.
Ik stap gezwind naar het metrostation. De zoete geur van warme wafels komt me al tegemoet. Net als hier en daar een verloren accordeondeuntje. Ik stap in de stroom. We hebben een bepaalde tred, een grootstadtred.
En daar zijn ze weer: de mannen. Gelukkig weinig vrouwvolk en kinderen vandaag. Allemaal mooi in de rij, de daklozen en bedelaars in Brussel. Een heel rustig tafereel, haast onhoorbaar allemaal.
De welbekende geur van soep gemixt met warme, vochtige lijven dringt mijn neus binnen.
Bij elke stap die ik zet, is er een ander gevoel in mijn hoofd: twijfel, beetje angst, boosheid, waakzaamheid, medelijden, onbegrip…
Bij elke stap die ik zet, wordt mijn verwondering en fascinatie groter.
Elke maandagavond stel ik opnieuw dezelfde vragen: Hoe komt het toch dat ze met zoveel zijn? Zou ik hen geld geven? Wie zou ik geld geven: de zieligste of juist de ‘betere’? Kunnen ze nog geholpen worden? Willen ze wel nog geholpen worden? Hoe geraak je zo ver weg van ‘ons’? Maar zijn zij wel zo anders?
Opeens springt een zwerver voor mij. Hij brabbelt iets luids en compleet onverstaanbaars. Maar misschien ligt dat wel aan mijn gebrekkige kennis Frans.
Ik schrik en glimlach wat onwennig en verlegen. De omstaande vriendenzwervers hebben er lol in. Ik ook eigenlijk. Ze slagen er in me even uit mijn overpeinzingen te halen.
Elke maandagavond is er wel één bij die erin slaagt me te doen terugdeinzen, hoe goed ik ook op mijn hoede ben.
Hun sprong doet al mijn gedachten wegwaaien. De schrik maakt me klaarwakker. Ik glimlach nog eens naar hen en besef dat zij – onwetend - mijn maandagavond goed maken.

1 opmerking: