Soms is er bij de koffie een luchtig gesprek.
Maar gisteren kwam een feministische ondertoon roet in het eten (of beter: drinken) strooien.
Ik krijg de commentaar om een ‘typisch vrouwelijk’ onderwerp gekozen te hebben voor mijn masterproef: vrouwenbladen bestuderen.
Het valt moeilijk te ontkennen. Is mijn interesse vooral vrouwelijk gekleurd? Hebben mijn ouders en onderwijzers me vrouwelijk opgevoed?
Misschien.
Dit nog in het midden gelaten, vraag ik me af of we niet te vroeg gestopt zijn met het emanciperen.
Laat ons eerlijk zijn: wij, vrouwen, hebben vooral verwarring gezaaid. Afgelijnde rolpatronen zijn weg, en we hebben alleen onduidelijkheid in de plaats gekregen.
Als ik op mannen jaag, wordt gezegd dat ik ‘hard-to-get’ moet spelen. Jeweetwel. “Mannen jagen zelf zo graag. Mannen willen geen gewillig hertje over hun schouder leggen. Dat is niet stoer. Je bent té gemakkelijk.“
Ook bij mannen zie ik de vertwijfeling: moeten ze er nu voor gaan? Is dat wel gepast? Met als gevolg dat weinig mannen het vuur openen.
Het resultaat: in het bos der liefde besluiten zowel man, als vrouw - na lang wikken en wegen - voorzichtig hun geweer te nemen. Beiden komen in aanvalpositie tegenover elkaar te staan, niet wetend wat ze vervolgens moeten aanvangen.
Laat ons eerlijk zijn, dit is slechts één voorbeeld van dubieusheid.
Zo hebben vrouwen en mannen zogezegd evenveel in de pap te brokkelen als het over kinderen gaat. Maar als het misloopt, wie is de boosdoener? En als een man de opvoeder in huis wil worden, dan wordt toch es zuchtend en grimassen trekkend gekeken. Zeker als hij halftijds wil gaan werken.
Het is niet meer zo bevattelijk wat we kunnen doen om ‘goed’ te doen. Dus laten we het nog meer samen doen, dan komt alles wel in orde.
A-MEN!
BeantwoordenVerwijderen